“Schaken”, een woord waar ieder die het leest of hoort eigen gedachten bij heeft. De een denkt aan een saai en moeilijk bordspel, een ander denkt aan de bijzondere een-op-een tijd tijdens het spelen van schaakpartijtjes met ouders of grootouders en weer iemand anders denkt misschien aan het aankomende schaaktoernooi waar hij/zij aan mee gaat doen. Al die eigen gedachten zorgen er soms voor dat mensen die praten over schaken elkaar niet begrijpen en dat misverstanden ontstaan.

Wat is "schaken"?

Schaken is in de kern gewoon een bord­spel om gezellig met iemand te spelen, zoals ook bijvoorbeeld scrabble, mens-erger-je-niet, cluedo of monopoly. Kenmerkend voor schaken is dat het een spel is waar toeval (zoals bij spelletjes met een dobbelsteen) geen rol speelt. Als je het spel kunt spelen is het tevens een middel om vaardigheden te leren en verder te ont­wikkelen waar je ook buiten het schaken profijt van hebt. Denk hierbij bijvoor­beeld aan het je kunnen concen­treren, kunnen plannen, oorzaak/gevolg overzien, omgaan met winst en verlies, verant­woordelijkheid nemen voor je eigen keuzes, kunnen analyseren, het trainen van besluit­vaardigheid en ge­heugen. De toevoeging van een wedstrijdelement maakt het een sport die zowel individueel als in teamverband gespeeld kan worden. In vergelijking tot het aantal personen die schaken als spel spelen is het aantal personen die het als sport beoefenen echter relatief klein.

Beter leren schaken

Het schaakspel kun je op veel manieren leren spelen. Vele van ons leerden het doordat een familielid het ons leerde, maar steeds vaker leren kinderen het ook op school of ze leren het zichzelf via internet. De schaaksport is vooral het terrein waar de schaakbond, schaakclubs en schaaktrainers actief zijn, al zijn er ook scholen met een eigen schaakclub. Hier wordt vooral aandacht besteedt aan het beter leren schaken en het spelen van wedstrijden.

De kern van mijn visie is dat er een wezenlijk verschil is tussen schaak­spel en schaaksport.

In mijn presentaties gebruik ik vaak de volgende eenvoudige voorbeelden: we leren vrijwel allemaal zwemmen, maar slechts een zeer kleine groep wordt ook lid van een zwemvereniging en veel mensen kunnen plezier beleven aan het samen voetballen op een veldje, maar niet iedereen wordt lid van een voetbalclub. Bij een sport ligt het accent op het (beter) presteren en op wedstrijden, terwijl bij een spel of bij spelen het accent ligt op het samen plezier beleven aan de activiteit. Het een sluit het ander niet uit, maar de focus ligt anders. Dit onderscheid is van belang omdat de deelnemers bij het beoefenen van een sport of het spelen van een spel andere verwachtingen en doel­stellingen hebben en dus ook een andere benadering vereisen.

Meestal is het ook zo dat mensen eerst een activiteit als spel spelen voordat ze besluiten het als sport te gaan beoefenen. Bij deelname aan een sport is dus veelal sprake van een intrinsieke motivatie. We vinden dit terug bij leden van een schaakclub en bij deel­nemers aan een buitenschoolse schaakclub. Ze kiezen er voor om lid te worden of deel te nemen. Bij schaakonderwijs onder schooltijd voor een hele groep is er niet, of in veel mindere mate, sprake van intrinsieke motivatie en is het al of niet deelnemen meestal geen vrije keus.

Wie?

Twee belangrijke uitgangspunten zijn dus:

  • dat er een onderscheid bestaat tussen schaakspel en schaaksport;
  • dat er een verschil in motivatie bestaat tussen deelnemers die al of niet vrijwillig kiezen om (beter) te leren schaken.

Met dit in gedachten is het belangrijk om te kijken wie de aangewezen personen zijn om het schaakonderwijs of de schaakinstructie te verzorgen.

De afbeelding bovenaan helpt bij het beantwoorden van deze vraag.

In het linker diagram is te zien dat er minder (schaak)kennis is vereist als het niveau waarop wordt lesgegeven lager is. Ook is te zien dat bij een hoger niveau meer (schaak)kennis is vereist.

In het rechter diagram is te zien dat bij een lagere aanwezige motivatie er een groter beroep wordt gedaan op de didactische kwaliteiten van degene die de les verzorgt. Dit beroep op de didactische kwaliteiten wordt lager naarmate de motivatie toeneemt.

Als ik dit vertaal naar het leren schaken dan is, voor een hele groep tijdens schooltijd, de eigen leerkracht meestal meer geschikt dan bijvoorbeeld een enthousiast lid van een lokale schaakclub. Het niveau is meestal nog dat van beginners en de motivatie zal heel diverse zijn. Als schaken een naschoolse activiteit is, dan kan ook een ander dan de eigen leerkracht dit verzorgen omdat er in de regel alleen gemotiveerde leerlingen op af zullen komen. De twee diagrammen samen laten zien dat de eigen leerkracht bij uitstek geschikt is als de groep ook laag of niet gemotiveerde leerlingen bevat en/of als het schaakniveau nog laag is, terwijl een extern iemand meer geschikt is voor een gemotiveerde groep leerlingen en een hoger schaakniveau.

Een leerkracht heeft de benodigde didactische vaardigheden om ook leerlingen te bereiken die minder of niet gemotiveerd zijn om te leren schaken. De schaakkennis die een leerkracht mogelijk mist is eenvoudiger op te lossen of te compenseren dan het ontbreken van de benodigde didactische vaardigheden. Een schaakinstructeur of -trainer is geschikt voor een intrinsiek gemotiveerde groep, met name als er schaakkennis op een hoger niveau vereist is.

Samengevat

  • Schaakonderwijs binnen het reguliere onderwijs en binnen de reguliere lestijden kan het beste worden verzorgd door een leerkracht.
  • Schaken als buitenschoolse activiteit kan worden verzorgd door zowel een eigen leerkracht als door een schaakinstructeur of -trainer.
  • Schaakinstructie bij een schaakclub kan het beste worden verzorgd door een schaakinstructeur of -trainer.

Dit betekent overigens niet dat schaaktrainers geen rol kunnen spelen in het primair onderwijs. Er is een wezenlijk verschil tussen een schaaktrainer die de leerkracht vervangt en een schaaktrainer die de leerkracht ondersteunt. In het tweede geval blijft de leerkracht de centrale figuur — degene met de didactische bagage en de dagelijkse band met de leerlingen — en levert de schaakexpert tijdelijk de schaakinhoudelijke kennis. Dat is een vruchtbare samenwerking, zeker in de opstartfase.

Ik besef dat het beeld dat ik schets haaks staat op hoe het er nu vaak in de dagelijkse praktijk aan toe gaat. Zowel de schaakbond, lokale schaakclubs en zelfstandig opererende schaaktrainers benaderen scholen met prachtige verhalen over hoe zij het schaken op school kunnen verzorgen. De primaire doelstelling van schaakbond, schaakclub en schaaktrainer is echter het leren schaken, terwijl de school als primaire doelstelling gekozen kan hebben om schaken slechts te gebruiken als middel om leerlingen diverse vaardigheden (verder) te laten ontwikkelen. Daarom is dus het antwoord op de vraag of leren schaken een doel of een middel is, zoals ik aan het begin al aangaf, zo belangrijk. De schaakbond noemt in zijn statuten ook niet het schaakspel, maar geeft slechts aan:

3.1 De KNSB stelt zich ten doel de beoefening van de schaaksport in Nederland te stimuleren, in stand te houden en uit te breiden.— KNSB Statuten

Een schaakclub heeft als doel om anderen te enthousiasmeren en zo mogelijk meer leden te krijgen. Hier is in beide gevallen niets mis mee, maar het is niet altijd hetzelfde streven als een school voor zijn leerlingen heeft als het schaakonderwijs wil aanbieden.

De titel "schaaktrainer" mag vrij door iedereen worden gebruikt en zegt weinig tot niets over zowel de vakkennis als de didactische kwaliteiten van iemand. Zo heeft bijvoorbeeld de schaakbond een opleiding "Schaaktrainer 1", die slechts vijf avonden van drie uur omvat en waarbij de deelnemers (vanaf 14 jaar) slechts één goede proefles hoeven te geven. 

De introtekst van de schaakbond voor deze cursus vermeld het volgende:

“Deze laagdrempelige cursus is bedoeld voor iedereen (vanaf 14 jaar) die een steentje wil bijdragen aan de schaaklessen van de jeugdafdeling of op scholen. Deelnemers leren enthou­siast invulling te geven aan Stap 1 van de stappenmethode van Brunia/van Wijgerden. De cursisten krijgen een idee van hoe een goede schaakles eruit ziet, evenals eenvoudige tips en vuistregels voor het lesgeven aan kinderen in stap 1.“

Voor het doel waarvoor de opleiding bedoeld is — ondersteuning bij een schaakclub of naschoolse schaakactiviteit — is dit een prima opstap. Maar het is nadrukkelijk niet ontworpen als voorbereiding op klassikaal onderwijs aan een volledige groep basisschoolleerlingen, waarvan een deel weinig of geen motivatie heeft om te leren schaken. Dat vereist een ander soort voorbereiding.

Uiteraard zijn er altijd de uitzonderingen en zijn er wel degelijk schaaktrainers met voldoende didactische bagage en ervaring naast hun schaakkennis. De titel "schaaktrainer" geeft hier echter geen waarborg voor.

Het voornaamste nadeel van het afhankelijk worden van derden bij schaakonderwijs op school is dat er geen waarborg voor continuïteit is. De enthousiaste ouder stopt als zijn of haar kind van school gaat, de schaaktrainer van de lokale club vertrekt naar een andere stad. Scholen die dit herkennen weten ook dat dit probleem niet wordt opgelost door een andere externe trainer te zoeken — de oplossing ligt in het zelf in huis hebben van de kennis en vaardigheden.

Als de school kwalitatief goed schaakonderwijs wil bieden én de continuïteit wil waarborgen, zal het dit zelf moeten organiseren. Externe expertise kan daarbij nuttig zijn, met name in de opstartfase. Dit is precies de rol die de Schaak maar raak Academy voor scholen vervult: begeleiden bij het opzetten en uitvoeren van schaakonderwijs, en indien gewenst ook het verzorgen van buitenschoolse schaakactiviteiten.

Ik hoop dat mijn hier beschreven visie zal helpen bij het opzetten van schaakonderwijs op veel scholen.

♟ ♟ ♟